Wist jij dat Oude Kerk in Delft in 1921 bijna aan ramp is ontsnapt?
In dit artikel:
Op 23 september 1921 laaide in de Oude Kerk van Delft een bijna-ramp op: een brandende accubrandertje, achtergelaten door dakdekkers die gingen pauzeren, zette de houten kap van de kerk in vuur. Omdat het dakconstructie grotendeels uit hout bestond, verspreidde het vuur razendsnel en dreigde het gebouw ernstige schade te lijden — vergelijkbaar, op kleinere schaal, met de brand in de Notre-Dame in 2019.
De plaatselijke vrijwillige brandweer kwam snel, maar beschikte niet over voldoende pompvermogen. Burgemeester Van Baren schakelde daarop de brandweer uit Den Haag in; die arriveerden een half uur later en wisten door gericht blussen te voorkomen dat de vlammen via gebarsten glas naar binnen konden slaan. Daardoor bleef het vuur grotendeels aan de kap beperkt en bleef uitbreiding naar de binnenruimten buitengewoon gevaarlijk maar uiteindelijk beperkt.
Toch was de schade aanzienlijk: het grootste deel van de kap ging verloren, alleen enkele zware spanten bleven staan, en brandend hout stortte in de kerk neer. Kerkbanken en de houten kansel uit 1548 raakten beschadigd. De gebeurtenis trok landelijke aandacht; prins Hendrik kwam naar Delft — mogelijk ingegeven door verwarring over welke kerk getroffen was, aangezien de Nieuwe Kerk koninklijke grafkelders herbergt.
De brand leidde tot een ingrijpende en langdurige restauratie van de Oude Kerk. Eerst moest verzekeringsafhandeling en fondsenwerving plaatsvinden; vervolgens vertraagden de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog de werkzaamheden nog verder. De echte herstelwerkzaamheden begonnen pas in de jaren vijftig en waren in 1961 afgerond.
Tegenwoordig is er voor de meeste bezoekers weinig zichtbaar van de brandplek, wat mede verklaart waarom deze bijna-calamiteit nauwelijks leeft in het geheugen van Delftenaren. Bouwhistoricus Gertjan van der Harst wijst erop dat weinig inwoners de brand van 1921 weten te noemen als belangrijk stadsgebeuren.